| Maar ook de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de Admiraliteiten hadden statenjachten, o.a. om het contact tussen de grotere zeegaande schepen en de wal te onderhouden. Zij werden daarom ook wel met de naam compagniesjacht of admiraliteitsjacht aangeduid. Aanvankelijk waren het dienstvaartuigen, maar in de 18e eeuw schaften ook rijke kooplieden zich een statenjacht aan, als vervoermiddel of louter voor pleziervaart.
Stad en Staten van Utrecht hebben statenjachten in bezit gehad van 1665 tot 1860. Deels waren dit echter binnen- of trekjachten. Zij werden hoofdzakelijk gebruikt voor het schouwen van de wateren binnen het grondgebied en voor het vervoer van de autoriteiten naar vergaderingen of ontvangsten. Er vond ook verhuur plaats aan particulieren.

David Kleyne: het statenjacht van de VOC Zeeland voor fort Rammekens
De indeling van het schip (van voor naar achter) was als volgt: voorin het kabelruim, bereikbaar via een luik in het dek, waar ook het buskruit voor de kleine boordkanonnen was opgeslagen. Deze kanonnen dienden overigens enkel voor het geven van saluutschoten. Achter het kabelruim de kombuis met een gemetselde stenen schouw als kookgelegenheid. Aan weerszijden in de kombuis waren kooien voor de bemanning. Daarachter de zg. domestieke kamer, het verblijf voor het bedienend personeel. Aangrenzend een portaal met de afgang vanaf het dek en daarnaast de "grote" of "heren"-kamer", de eet- en slaapruimte voor de gasten met aan beide zijden banken, die ook als bedsteden konden worden gebruikt, en verlicht door een opbouw op het dek met ramen, de lantaarn. Achter de grote kamer een kleine ruimte met het "secreet" (toilet) en een spiltrap die toegang gaf tot het gastenverblijf op het achterdek, het paviljoen. Achterin het schip onder het paviljoen was nog een ruimte voor de schipper.

De tuigage bestond aanvankelijk uit een spriettuig (afb. 1). Na 1660 werd dit vervangen door het handzamere staand gaffeltuig. Dit was een grootzeil zonder giek met een lange zware gaffel, die als regel niet werd gestreken. In plaats daarvan werd het zeil met behulp van geitouwen tegen de gaffel en de mast getrokken (afb. 2). Voor het gebruik van de gaffel werd de mast verlengd met een steng, wat het tevens mogelijk maakte om nog een vierkant topzeil te voeren. Als voorzeilen werden een stagfok en op de boegspriet een kluiver gevoerd.

Afb.1 Casper van den Bos: Statenjacht op de rede van Hoorn

Afb. 2 (anoniem): Het statenjacht van de VOC Rotterdam voor anker op de Maas
De lengte van het schip is 23.5 m, de breedte 5.5 m, de diepgang 1.35 m. De mast is 21.5 m lang, het zeiloppervlak bedraagt in totaal 156 m2, de waterverplaatsing is 86 ton. Voor de bouw is ongeveer 300 m3 eikenhout gebruikt, afkomstig uit bossen in Denemarken die 200 jaar geleden met Hollandse eikels zijn aangeplant.
|